Op de jaarlijkse HWodKa winterbijeenkomst bij PPO-Westmaas deed Leon Noordam namens HWodKa verslag van de eerste ervaringen met opbrengstmetingen door aardappel- en bietenrooiers. De opbrengstmetingen waren gedaan door Loonbedrijf Breure (CA en SB) en door Laurens den Hartigh (SB).
 
Veel tijd en energie is gestoken in het zorgen dat de metingen op de rooimachines een betrouwbaar beeld geven van de werkelijkheid. Kalibratie en positie van de meettechniek is van groot belang voor een goede meting. Wat dat betreft zijn er serieuze stappen gezet. Waar de huidige meettechniek nog niet direct een antwoord op heeft is de verstoring van de meting door grondtarra. Op homogene percelen geeft de opbrengstmeting een betrouwbaar beeld van de verschillen binnen de percelen. Op wat bontere percelen is de betrouwbaarheid minder groot en zal een deel van de verschillen veroorzaakt worden door grondtarra.  Dit speelt ons met name parten in aardappelen. Suikerbieten hebben qua tarra slechts enkele procenten afwijking tussen lichtere en zwaardere grond. Voor de huidige teeltmethoden, waarin sturen op 15% verschillen al een hele uitdaging is, geven de opbrengstkaarten wel een goede richting, zeker wanneer er variabel gewerkt wordt binnen een perceel. Dan is reflectie op de gekozen teeltstrategie zonder deze techniek bijna onmogelijk.
 
Noordam spitste zijn presentatie verder toe op percelen die bekend staan als homogene percelen. Een goede vlaklegging en weinig verloop in grondslag zijn de belangrijkste kenmerken van homogene percelen. Voor de vlaklegging zijn in de regel wel goede hoogtekaarten beschikbaar. Voor de grondslag ligt dat wat lastiger. Een EC-bodemscan, die reageert op het vochthoudend vermogen, geeft een goed beeld van de variatie van de grondslag. Even goed en gratis is een kaart van de ploegsnelheid. Een ploegkaart maak je met dezelfde software als een opbrengstkaart en het loggen van de data gaat (bijna) vanzelf.  Ploegkaarten zijn echter nog maar mondjesmaat beschikbaar.
 
Voor het typeren van de homogeniteit van percelen gebruikte Noordam, naast de hoogtekaart, nog 3 kaarten: de bekende 1:50.000 Bodemkaart van Nederland, een topografische kaart met de verkaveling en het landgebruik rond 1900 en een kaart met een satellietbeeld van kale grond.  Deze laatste kaart, met een opname die rond februari gemaakt is, geeft een aardig beeld van het  verloop van de zwaarte van de grond cq de mate van verslemping. 
Novifarm Noordam Ahn2
Novifarm Noordam BodemkaartNovifarm Noordam BonnebladNovifarm Noordam slibP4 Ploegkaart
Het perceel heeft een max hoogteverschil van ca 0,3 m. Op de Bodemkaart markeert de blauwe lijn een overgang van de grondwatertrap. Rond de eeuwwisseling werd de noordzijde van het perceel gebruikt als grasland. Het satellietbeeld  laat zien dat de noordzijde iets donkerder is. Dit duidt op een hogere stabililteit (minder kans op verslemping). Waarschijnlijk is het humusgehalte aan de noordzijde ook nog steeds een fractie hoger. De ploegkaart rechts geeft aan dat het perceel naar het noorden toe iets zwaarder neigt te zijn, maar de verschillen zijn klein.
 
Noordam verdeelde opbrengstdata van een perceel evenredig over drie klassen met een lage (rood), gemiddelde (geel) en hoge opbrengst (blauw). Iedere klasse representeert dan dezelfde oppervlakte, d.w.z. 1/3 van de totale oppervlakte van het perceel. De oppervlakte 'laag' wordt hoofdzakelijk ingenomen door de kopakkers en de spuitsporen. Bij een uniforme verdeling van de opbrengst over de rest van het perceel kun je geen zones onderscheiden. Naarmate de opbrengst minder uniform verdeeld is tekenen zones zich duidelijker af.
 
LangewegGroeneweg
 
Noordam gaf een paar voorbeelden van homogene percelen met respectievelijk een uniforme en een niet-uniforme ruimtelijke verdeling van de opbrengst. De eerste conclusie was, dat percelen met een uniforme verdeling een hogere totaal opbrengst geven. Bij suikerbieten kan dat makkelijk oplopen tot 10 ton/ha. Diezelfde conclusie werd ook getrokken bij de analyse van WT-opbrengsten (zie hier). Wanneer er sprake is van opbrengstzones op een homogeen perceel, dan is er iets niet helemaal goed gegaan. De zoektocht naar mogelijkheden om een homogeen perceel beter te benutten moet volgens Noordam hier beginnen. In veel gevallen heeft de teler wel een idee van de oorzaken.
 
Qua opbrengsten hakvruchten in de Hoeksche Waard was 2016 een gemiddeld jaar. In een jaar met topopbrengsten zijn de verschillen binnen een perceel relatief klein. In jaar met lage opbrengsten, vaak door droogte, zijn de opbrengstverschillen relatief groot (zie ook hier).
 
Noordam stond vervolgens kort stil bij de ervaringen van HWodKa op het gebied van 'advies bijbemesting op basis van gewassensing'. D.m.v. close (spuitboom) en near sensing (drone, vliegtuig) is men steeds beter in staat om de hoeveelheid biomassa en de N-opname in kaart te brengen. De rekenregel, die een meting omzet in een advies, is nog een zwakke schakel. Bij een (tijdelijke) groeiachterstand zijn vaak meerdere factoren in het spel, zoals m.n. de vochtvoorziening. In de praktijk kwam het er op neer dat de adviezen t.a.v. bijbemesting door HWodKa-deelnemers niet opgevolgd werden.  
 
De Soiloptimizer van Haak Innovations
IMG 0402 2 1De HWodKa-winterbijeenkomst begon met een presentatie en demonstratie van Eline (TU-Eindhoven) en Frederique van den Haak (Universiteit Utrecht), oprichters van Haak Innovations. Haak Innovations heeft als start-up een nieuwe, mobiele techniek ontwikkeld voor het ter plekke meten van plantopneembare macro- en micro nutriënten in de bodem. Eén van de bijzonderheden van de techniek is, dat de analyse slechts enkele minuten in beslag neemt. Hierdoor kan de meting bijna real time omgezet worden in een advies. HWodKa heeft aangeboden om het testen van de Soiloptimizer op kleigronden te ondersteunen.
 
IMG 0411 1 1
 
 

 

De Stichting de Hoeksche Waard op de Kaart, opgericht in 2005, is een initiatief van innovatieve Hoekschewaardse akkerbouwers. De stichting stelt zich ten doel om d.m.v. innovatie de vitaliteit van de grondgebonden landbouw te verbeteren en tegelijk voorwaarden te scheppen voor behoud cq ontplooiing van natuur en landschappelijke waarden.