Vraag je aan een bodembioloog hoe te handelen om het bodemleven te stimuleren dan krijg je als antwoord: 'de bodem het hele jaar begroeid houden en geen verstoring door grondbewerking'. Hoe vertaal je dit advies naar de praktijk waarbij je in het voorjaar graag met een schone lei begint en waarbij de bodemstructuur tijdens de oogst vaak zodanig beschadigd wordt dat reparatie d.m.v. grondbewerking noodzakelijk is?
 
De betekenis van 'het bodemleven' voor de bodemkwaliteit behoeft verder geen betoog. We zijn met het humus-gehalte een kritische grens van 2% genaderd of gepasseerd en daarmee samenhangend ook een kritische grens voor de omvang en diversiteit van de bodemlevensgemeenschap. Bij HWodKa heerst de gedachte, dat het sturen op instandhouding van de OS (humus) - balans op een dergelijk laag peil ontoereikend is. D.w.z. te weinig voedsel biedt voor een voldoende grote bodemlevensgemeenschap.
 
 
IMG 0700 1Hoeveelheid
Het ontbreken van begroeiing van een perceel in een deel van het jaar kun je deels compenseren met een groenbemester na het korte groeiseizoen van een hoofdgewas en/of door aanvoer van OS in de vorm van bijvoorbeeld compost. Simpel geredeneerd: hoe groter de aanvulling, hoe meer bodemleven.
 
Diversiteit
Bodemleven kan ook schadelijke effecten hebben, zoals in het geval van 'wormengrond' en schadelijke aaltjes. Als je alleen pinda's voert krijg je alleen apen. Simpel gesteld: hoe diverser de aanvulling met OS, hoe diverser het bodemleven, ofwel de bodembiodiversiteit. De mogelijkheden daartoe worden vooral beperkt door wat praktisch en volgens vigerende regelgeving haalbaar is, maar er kan meer dan nu te doen gebruikelijk in de gangbare akkerbouw.
 
Dynamiek
Praktisch gezien is het éénmalig ophogen van een perceel met OS het makkelijkst. Wil je echter een stabiele bodemlevensgemeenschap, dan moet je ieder jaar meer of minder OS suppleren, afhankelijk van wat na de oogst achterblijft. Ook hier moet een praktische en financiële afweging gemaakt worden, waarbij het overigens lastig is om de effecten van verschillende scenario's in geld uit te drukken. 
 
Verdeling
Inkuilen met de ploeg is de slechtst denkbare verdeling. Toch is dat praktijk. Niet kerende grondbewerking (NKG) levert een betere verdeling, althans in de bovenlaag. Aan NKG kleeft echter een groot nadeel: het land droogt en warmt in het voorjaar langzamer op door de ononderbroken vochtaanvoer uit de ondergrond. Ondiep ploegen, in combinatie met een niet-intensieve diepe grondbewerking met smalle vaste tanden om de ondergrond te ontsluiten is misschien een aantrekkelijk compromis.
 
Conclusie
Al met al is het bodemleven op akkerbouwpercelen een black box die weinig ruimte biedt voor  verfijnd maatwerk, zoals dat bij gewasmanagement wel steeds meer gebeurt. Na lang wikken en weken is HWodKa tot de slotsom gekomen dat in HW2O de voeding van het bodemleven gebaseerd moet worden op de bekende OS-balans, met dien verstande dat er naar gestreefd wordt om 2 maal zoveel OS te suppleren dan volgt uit de OS-balans.
 
Daarnaast wordt er naar gestreefd om de aanvulling zo goed als praktisch mogelijk is over de jaren te verdelen. Verder zal er een mix gemaakt worden van verschillende organische stoffen uit aan te voeren OS en groenbemesters. In HW2O zal niet meer door-de-voor geploegd worden, alleen nog maar over-land en alleen als NKG niet aantrekkelijk lijkt. De combinatie van diep losmaken (d.w.z. ontwateringssleufjes trekken) en ondiep ploegen, bijvoorbeeld met een ecoploeg, wordt nog nader uitgewerkt.
 
De gedachte is dat deze maatregelen, maar dan wel samen met een betere ontwatering en verlaging van de bodembelasting leidt tot een substantiële toename van het bodemleven en daarmee samenhangende biotische bodemherstelprocessen. Bodembiologen dragen dit compromis een warm hart toe.
 
Het plan HW2O is tot stand gekomen met ondersteuning van LTO-Noord Fondsen

 

De Stichting de Hoeksche Waard op de Kaart, opgericht in 2005, is een initiatief van innovatieve Hoekschewaardse akkerbouwers. De stichting stelt zich ten doel om d.m.v. innovatie de vitaliteit van de grondgebonden landbouw te verbeteren en tegelijk voorwaarden te scheppen voor behoud cq ontplooiing van natuur en landschappelijke waarden.